
Een zorghulp werkt met mensen die hulp nodig hebben, de cliënten/zorgvragers. De cliënt/zorgvrager moet weten welke taken een zorghulp mag doen. Als zorghulp moet je weten wat de zorgvrager gewend is. Om hierover een gesprek te kunnen voeren is het belangrijk dat je goed kunt luisteren. Je moet weten welke vragen je kunt stellen. De manier waarop je dat doet is belangrijk. Dit noem je ‘omgangsvormen’. Voorbeelden van goede omgangsvormen zijn: – iemand die je niet kent met u aanspreken; – iemand aankijken tijdens een gesprek; – iemand laten uitpraten: dus niet in de rede vallen. Omdat je goed wilt afspreken met een cliënt/zorgvrager wat er allemaal moet gebeuren, schrijf je alle taken op. Ook bepaal je de volgorde waarop je je werk doet. Dit noem je een werkplanning maken. Opdracht – Lees voordat je naar een cliënt/zorgvrager gaat het zorg- of leefplan door. – Bespreek met je begeleider of collega wat je gelezen hebt. – Bespreek met de cliënt/zorgvrager en je collega welke taken jij gaat overnemen of waar jij bij gaat assisteren. – Houd rekening met wat de cliënt/zorgvrager wil en nog zelf kan doen. – Schrijf in een werkplanning op wat je gaat doen en in welke volgorde. Stap 1, 3 en 4 (voorbereiden, terugkijken en vooruitkijken) kun je mondeling of schriftelijk doen.
Page Count:
81
Publication Date:
2008-08-06
ISBN-10:
9031352578
ISBN-13:
9789031352579
No comments yet. Be the first to share your thoughts!